Goed nieuws

Goed nieuws

Met gezwinde spoed haastte deze kever zich over mijn terras, richting de alom tegenwoordige veilige strooisellaag waarin hij zich weer aan het oog onttrokken wist. Waaronder hij zijn verborgen bestaan ongestoord kon voortzetten. Maar net niet snel genoeg, ik kon hem nog juist op de foto krijgen. Bij hoge uitzondering zeg ik erbij want tot nog toe zijn de meeste beestjes mij dit jaar ruim te snel af. Hulpeloos struikel en strompel ik door mijn steeds dichter begroeide tuin achter iets vliegends of fladderends, iets springends of iets kruipends aan, met m'n telefoontje in de aanslag.. vooralsnog heeft dat geen spectaculaire natuuropnames opgeleverd. Soms weet zelfs de determinatieapp er geen raad mee en moet ik het doen met het digitaal equivalent van een meewarig schouderophalen.
Dat is met deze kever, hoewel er sprake is van enige sfeerverhogende bewegingsonscherpte, niet het geval: dit is honderd procent zeker de slakkenaaskever. Vanwege de bruine kleur, lees ik, zou het een jong exemplaar kunnen zijn. Vandaar allicht de jeugdige overmoed waarmee op klaarlichte dag een enorm, zonovergoten terras wordt overgestoken.
De naam doet vermoeden dat deze kever wel eens goed nieuws voor de volkstuinier zou kunnen zijn, en dat is ook zo. De slakkenaaskever voedt zich met huisjesslakken. Hij jaagt erop, lees ik, wat gezien het tempo waarin het prooidier zich uit de voeten kan maken misschien een wat overdreven term is, en wanneer de slak zich ten einde raad terugtrekt in zijn huisje, zijn enig verweer, steekt de kever zijn smalle kop naar binnen en doodt hem met een giftige beet. Ook de larven eten huisjesslakken, lees ik verder. Die zullen zich, stel ik mij zo voor, dan wel al etend een weg naar binnen banen. Allemaal zielig voor de slakken natuurlijk, dat wel. Zeker. De natuur is wreed, net wat u zegt. Toch hoop ik stilletjes dat er ook een naaktslakkenaaskever blijkt te bestaan.

De prehistorie ontwaakt

De prehistorie ontwaakt

Tot mijn grote opluchting en blijdschap heeft ook de Ginkgo Biloba besloten dit voorjaar weer uit te botten. Ik kreeg hem een paar jaar geleden van een vriendin, als piepklein plantje. Niet veel meer dan een zaailing was het. Zij had 'm, als exotische strooiselroof, meegenomen uit Vietnam. Of Thailand, dat wist ze niet meer, het is een avontuurlijke vriendin. Ze had er uit beide landen één meegenomen. Eén voor zichzelf en één om weg te geven. Maar welke welke was, dat wist ze niet meer.
Ik ben dol op de Ginkgo sinds ik jaren geleden bij een bezoek aan een botanische tuin in Utrecht leerde dat dat een prehistorische boom is. Dat de Ginkgo miljoenen jaren geleden het eerste soort boom op aarde was. Dat spreekt tot mijn verbeelding, zulke dingen. Ooit hadden we er daarom ook een in de achtertuin staan maar die had het snel bekeken, in de Noordhollandse klei. Deze nieuwe kans vertroetelde ik dus met veel liefde en aandacht en een luw plekje in de zon.
Toch leek het er op dat hij zijn eerste winter niet had overleefd, hoewel ik hem veilig, maar misschien net iets te laat, in mijn orangerie had gestald. Als niets dan een dode stok in een pot ging hij het voorjaar in. Met lede ogen zag ik het aan. Tot er, helemaal onderaan de dode stok, toch een klein groen puntje ontstond. Jongens, wat was ik blij. Het dode gedeelte knipte ik af en de hele zomer stond hij weer op zijn luwe plekje in de zon, waar het groene puntje langzaam uitgroeide tot een nieuw stammetje. Iets eerder dan het jaar ervoor bracht ik hem naar binnen, al zag hij er na de herfst al weer zorgwekkend uit als een dode stok. Het was dus even spannend wat er zou gebeuren nu de lente weer terug is.
Trots stuurde ik een foto van de eerste nieuwe, frisgroene blaadjes aan mijn vriendin. Ze was blij voor me. Die van haar was dood.

Even geduld aub

Even geduld aub

Toen ik mijn kunstzinnige tuinhuisje bouwde, het eerste jaar dat ik op de tuin zat, gebruikte ik daarvoor voornamelijk oud en gebruikt hout, overgebleven en op straat gevonden ramen en deuren en in de kringloop gekocht glas waar ik dan zelf weer kozijnen omheen knutselde. Zo gebruikte ik voor de openslaande raampjes aan de voorzijde van dat geperforeerde hout van een Lundia stellingkast. Zag er wel decoratief uit, vond ik.
Na een tijdje merkte ik op dat die gaatjes de belangstelling hadden van bijen. Rosse metselbijen, leerde ik later. Die leggen hun eitjes in dit soort gaatjes. Per eitje metselen ze een kamertje, met zand, en sluiten een klein voedselvoorraadje in voor wanneer de larf uit het ei kruipt. Zo maken ze meerdere kamertjes op een rijtje, in zo'n gaatje.
Het schijnt ook zo te zijn, ik meen dat ergens gelezen te hebben, dat ze het ook nog zo uitkienen dat in de kamertjes vooraan de mannetjes zitten, die als eerste uitkomen en aldus vrij baan maken voor de vrouwtjes, die wat later zijn en dus meteen na het uitkomen opgewacht worden door een wolk bronstige mannetjes.
Tja.
Maar goed.
Wat ik ook zag, na zo een tijdje observeren, was dat die Lundiagaatjes weliswaar veel belangstelling trokken, soms hingen er wel tien metselbijtjes rond bij die raampjes, maar dat er eigenlijk nooit één in gebruik werd genomen. Ze kropen erin, voor een korte inspectie, maar kwamen er ook altijd vrijwel meteen weer uit. Teleurgesteld, dat kon ik zien. De Lundiagaatjes waren niet diep genoeg, begreep ik, en ik bouwde een heel nieuw insectenhotel, met de juiste gaatjes en afmetingen, dat onmiddellijk na plaatsing enthousiast in gebruik werd genomen.
Toch bleven ieder voorjaar de metselbijtjes op die Lundiagaatjes afkomen, om ieder voorjaar weer teleurgesteld af te druipen. Ook nu weer. Ik kon dat opeens niet meer aanzien en besloot met een snelle actie een nieuw bijenhotel te knutselen, met gaatjes volgens de regelen der kunst, en dat aan de voorzijde van mijn huisje te hangen, als alternatief.
Dat deed ik gisteren. Het was lekker zonnig weer. Lente. Verwachtingsvol zat ik in mijn tuinstoel met een kopje thee. Maar ze lieten zich niet zien, de metselbijtjes. Nou ja, was ook te mooi geweest natuurlijk.

Bijzonder gewoon

Bijzonder gewoon

Soms denk je dat je iets heel bijzonders tegenkomt, in je biodiverse tuin. Zoals dit spinnetje bijvoorbeeld. Het is al een wonder dat je hem überhaupt ziet, dat je oog er toevallig op valt, want hij is piepklein. Wat zal het zijn.. hooguit een millimeter of vier. Heeft zich hier verstopt in de spelonken van de harig uitbottende lijsterbes. Maar wát een mooie kleuren, wat een prachtige tekening, dat moet wel een bijzonder spinnetje zijn, denk je dan. Nog nooit gezien ook, zo'n spinnetje. Je hoopt op een zeldzaamheid. Maar je voelt het al aankomen, niks bijzonders aan. Wordt beschreven als een van de meest voorkomende spinnen. In Europa, ook nog. Nou ja, dat is dan eigenlijk ook wel weer bijzonder, op een bepaalde manier. Ik lees verder dat ze de naam danken aan de felgroene kleur van het achterlijf, maar dat ze in herfst en winter eerder bruinig zijn. Deze zit dus waarschijnlijk in een overgangsfase.

De ene drol is de andere niet

De ene drol is de andere niet

Over het algemeen ben ik geen fan van stront in de berm. Maar de ene drol is de andere niet. Want toen ik dit zag liggen, werd ik daar toch een soort van blij van. Het blijft stront natuurlijk, maar dit, meende ik te zien, was niet van de hond van verderop, het was waarschijnlijk helemaal niet van een hond, maar, ik houd meerdere slagen om de arm, dit zou wel eens van een vos kunnen zijn. Dacht ik. Vanwege de puntige vorm, dacht ik dat. En voor een egel waren ze veel te groot. Ik word er altijd erg gelukkig van als ik merk dat mijn tuin onderdeel uitmaakt van de natuur. Dat dieren het gebruiken als hun leefgebied. Dat ze dan van de bessen en de blaadjes vreten, nou ja, dat neem ik voor lief. Dat een vos wel eens één van mijn geliefde hazen zou kunnen grijpen, ook daar zou ik mee kunnen leven. Dat is de natuur. In tegenstelling tot wanneer de hond van de buurman dat doet. Een vos op mijn tuin, dat zou ik wel cool vinden. Op internet zocht ik voorbeelden van vossendrollen en met een beetje goede wil leek dit, wat hier in mijn berm lag, er best heel aardig op. Voor de zekerheid zocht ik ook nog even op of vossen hier überhaupt wel voorkomen, en dat bleek inderdaad het geval. Ik ben tot nader order dus blij met vossendrollen. Maar als het toch van de hond van verderop blijkt te zijn, vind ik dat die aso z'n smerige rotzooi op moet rapen.

Lust voor het oog

Lust voor het oog

Kijk eens wat een schoonheid. Dit is ook weer zo'n beestje waarvan het intikken van de naam voornamelijk zoekresultaten oplevert die je vertellen hoe je het moet bestrijden. Verdelgen. Doodmaken. Uitroeien. Want schadelijk. Wie is hier nou schadelijk, vraag ik me dan af. Wordt het niet eens tijd dat we onszelf uitroeien, vraag ik me ook wel eens af. Maar goed, daar wordt met man en macht aan gewerkt dus dat komt allemaal dik voor mekaar. Het rozemarijngoudhaantje houdt het nogal bescheiden, met de schadelijkheid, naar mijn idee. Zoals de naam al doet vermoeden voeden de larven zich met de blaadjes van rozemarijn. Maar ook lavendel, salie en tijm staan op het menu. Niet toevallig allemaal zuidelijke soorten want ook het rozemarijngoudhaantje komt uit de warmere gedeeltes van Europa. Een exoot, zogezegd. Meegekomen met de rozemarijn, de lavendel, de salie en de tijm. En met dank aan het opwarmend klimaat inmiddels ook hier een algemene soort. Mijn rozemarijn staat uitbundig in bloei en is een lust voor het oog. Net als dit kevertje. Niks aan de hand.

Geen waar blééf je nou?

Geen waar blééf je nou?

Schoorvoetend trok ik dit paasweekend naar de tuin. Met licht bezwaard gemoed, zou je kunnen zeggen. Te lang was ik er niet geweest, voor mijn gevoel, zeker met ook nog het voorjaar in het land. Te veel was ik in beslag genomen door andere gewichtigheden, die geen uitstel konden velen. Laat staan afstel. Zoals dat soms gaat. Nu ik er dan eindelijk tijd voor maakte, verwachtte ik misschien een beetje dat de tuin boos op mij zou zijn. Dat die mij met hoog opgeschoten kweek en heermoes en verwaaide planten en struiken verwijtend zou aankijken van: waar blééf je nou? Maar nee. Niks van dat al. De tuin was blij me te zien. In plaats van een verongelijkt 'waar bleef je nou' klonk eerder een enthousiast: ik ben vast begonnen! Moet je kijken! Moet je kijken! En dat is inderdaad precies wat ik deed. Kijken. Ik liep een uitgebreid rondje, zoals ik dat leerde van Jan Wolkers, en keek mijn ogen uit. Wat er al niet bloeide en op uitlopen stond! Mijn sluimerend schuldgevoel maakte onmiddellijk plaats voor grote blijdschap en diep geluk. Plus een enthousiaste werklust en een kruiwagen vol goede voornemens.

Ik ben blij

Ik ben blij

Het is dus toch zover gekomen. Lente. Voorjaar. Wat een heerlijkheid. Wat een opluchting. Dat er ook nog positieve dingen gebeuren. Dingen die zich nergens iets van aantrekken, van alle ellende. Van allerlei begint te bloeien en uit te lopen op de tuin, al duurt het altijd iets langer dan in de voortuin en de achtertuin. Is het altijd iets later. Dat komt natuurlijk doordat de volkstuin onbeschut in de Noordhollandse poolwind ligt. Dat scheelt een paar graden. Maar dat geeft verder niet, wat in het vat zit verzuurt niet, ik heb het allemaal nog tegoed. Tot mijn grote vreugde zag ik bijvoorbeeld dat het sierappelboompje dat anderhalf jaar geleden asiel kreeg in mijn tuin, nadat het verjaagd was uit de voortuin, ook begint uit te botten. Weliswaar kreeg hij vorig jaar ook blaadjes en bloempjes en appeltjes, ik hield er altijd nog rekening mee dat het een laatste stuiptrekking zou kunnen zijn geweest. Nu weet ik dat het goed zit. En dat is een fijn gevoel.

Zonder twijfel

Zonder twijfel

Terwijl ik dit zit te tikken, tikt de regen alles behalve zachtjes op het zolderraam, waarachter ik dit zit te tikken. Donkere wolken verduisteren mijn uitzicht. Bovendien staat er een kribbig poolwindje, merkte ik net, toen ik tussen de buien door even naar de bouwmarkt fietste voor een kleine boodschap. Het is dus beslist nog winter. Geen twijfel over mogelijk. Hoewel de tuin bij het minste zonnetje zijn best doet die daar toch over te zaaien. En zeg nou zelf. Lang kan het niet meer duren. Ze komt eraan, de lente. Geen twijfel over mogelijk.

Glad of spits, spits of glad

Glad of spits, spits of glad

Een jaar of twee, tweeëneenhalf geleden waaide in de achtertuin van ons huis de esdoorn om. De storm Poly heeft dat op haar geweten en we hebben het haar nog altijd niet vergeven. Het was namelijk onze Érable d'Amour. Onze Esdoorn der Liefde. Als zaailing hadden we haar meegenomen uit Frankrijk, van onze allereerste vakantie samen, drieëndertig jaar geleden inmiddels. Ze overleefde de reis in een plastic zakje op de hoedenplank van een oververhitte Renault 5 en werd vervolgens ieder jaar een beetje groter in steeds grotere potten op verschillende Haagse balkons. Na de verhuizing naar een huis met een tuin in het noorden des lands werd de allang veel te klein geworden laatste pot verruild voor een plek in de volle grond. Minstens twee jaar heeft ze daar enigszins verbaasd om zich heen staan kijken, niet wetend wat te doen met al die ruimte, maar toen de vrijheid eenmaal was doorgedrongen groeide ze in korte tijd uit tot een flinke boom die plaats bood aan vele vogels, zorgde voor schaduw op zomerse dagen en op den duur ook ieder voorjaar miljoenen helikoptertjes afleverde die stuk voor stuk wortel schoten op de gekste plekken. Dertig jaar lang was zij het trotse symbool van onze liefde. Tot de storm Poly daar dus een genadeloos einde aan maakte. Er zat niets anders op dan haar machtige stammen en takken in stukken te zagen. Een groot gedeelte eindigde roemloos op de stapel brandhout, een paar stukken nam ik mee naar de volkstuin, waar ik ze bij wijze van monument rechtop in de grond zette om ze op die manier terug te geven aan de natuur. En dat is wat er nu gebeurt. De schors is er voor een groot deel al afgevallen en het hout kleurt langzaam zwart. Gister pakte ik een stuk schors van zo'n stammetje en zag er talloze pissebedden en duizendpoten onder wegkrioelen, op zoek naar een goed heenkomen. De schors zelf was aan de buitenkant bedekt met een ruime verzameling kleine zwarte bolletjes met een piepklein puntje erop. Je zou er een soort vruchtjes in kunnen zien. Of gebakjes. Of tietjes, dat kan ook. Hoewel dat laatste niet in mij zou zijn opgekomen wanneer ik niet al had uitgezocht dat het hier gaat om het tepelkogeltje, een schimmelsoort die leeft op dood hout. Er bestaat, lees ik, een spits tepelkogeltje en een glad tepelkogeltje, waarvan de verschillen louter worden besproken in termen die ik niet begrijp. Het spits tepelkogeltje is vrij zeldzaam in ons land, lees ik verder, dus dat was leuk en eervol geweest, maar het glad tepelkogeltje komt vooral voor op esdoorn. En is vrij algemeen. Maar goed, wat maakt het uit. Het verschil is toch niet te zien.