Om op te vreten

Om op te vreten

Er zijn nogal wat planten waarvan de betere natuurliefhebber annex vergeten groenten kweker of biologisch dynamisch voedselbos beheerder op plechtige toon weet te melden dat je die kunt eten. Als aandachtig toehoorder word je dan geacht met gepaste verbazing en eerbiedige bewondering te reageren, wat aarzelend het een of ander in de mond te steken en dan uit te roepen hoe lekker pittig, kruidig, of notig het smaakt, met een zoetje of een zuurtje of een bittertje. In dat kader stond ik in mijn tuin al eens te kauwen op een bloemknop van de weegbree. Ik maakte honing met paardebloemen, pesto van radijsloof, salade met oostindische kers.
Tijdens een boswandeling in de voorjaarsvakantie probeerden we daslook, look zonder look, madeliefje en pinksterbloem. Met wisselend succes. Grote verrassing was de oxalis, ook wel geluksklaver genoemd. Waarvan mijn vrouw, als amateur betere natuurliefhebber, op gelukkig onplechtige toon wist te vertellen dat die eetbaar was. En inderdaad, verrassend lekker. Fris zuur. Bijna alsof je zo'n ouderwetse Napoleon zuurbal doorbijt. Mijn vrouw kocht een zak bolletjes voor me, ik zette ze in potten en binnen de kortste keren kwam het op, de bloemetjes eerst. Maar zeg nou zelf, die zijn toch veel te leuk om op te eten?

Tegen wil en dank

Tegen wil en dank

Wie het maar horen wil bezweer ik dat ik geen moestuin heb. Niet meer. Dat ik dat wel geprobeerd heb, toen ik aan een volkstuin begon, maar dat het voor mij niet is weggelegd. Dat ik niet was opgewassen tegen de slakken, de vogels en de hazen. Dat alles onder mijn handen werd opgevreten en weggeroofd. Of achter mijn rug werd overwoekerd door assertieve inheemse gewassen die ik hier niet bij naam zal noemen. En dat ik dus twee jaar geleden besloot dat ik het woord moestuin niet meer wilde horen. Dat ik voortaan een biodiverse natuurtuin zou hebben. Met bomen en struiken, planten en bloemen, vogels en insecten. En assertieve inheemse gewassen.
En nu blijkt rode kropsla dus ook een assertief inheems gewas te zijn. Dat zich bovendien niets aantrekt van mijn moestuinverbod, want nota bene op de composthoop trof ik enige tijd geleden een handvol zaailingen aan van de rode kropsla. Nakomelingen van een doorgeschoten voorouder van weleer. Dus ja.. dan kun je geen moestuin willen, als de oogst zich zó nadrukkelijk opdringt zou je wel gek zijn de boel weg te schoffelen, met je dwarse kop. Ik zette de boel dus in potjes tussen de kaardebollen en het ijzerhard, gaf het regelmatig water en zo eten we de komende tijd alsnog sla uit eigen tuin.

Bedankje

Bedankje

Vorig jaar, en ook het jaar daarvoor trouwens, beklaagde ik mij over de kersenoogst. Hoewel er toch echt bloesem in mijn boompje had gezeten en ik over insecten niet te klagen heb op de tuin, bleef de opbrengst beperkt tot één respectievelijk twee kersen. Nou goed, drie. Die dan ook nog eens, vér voor ze ook maar het kleinste blosje op de groene wangen kregen, werden opgevroten door de vogels.
Ach, ik doe wel zuur, maar echt erg vind ik het natuurlijk niet. Die paar kersen. En vogels moeten ook eten. Bovendien ben ik dan wel weer trots en blij als een kind wanneer vogels zich in mijn tuin vertonen. In mijn bomen gaan zitten fluiten. In mijn kastjes gaan zitten broeden. Dus.. waar hebben we het over. Voor wat hoort wat.
Dit jaar had ik mijn oogst daarom, al had ik al wel gezien dat er deze keer beduidend meer dan drie in de boom verscholen zaten, in gedachten al aan de vogels geschonken. Smakelijk eten jongens. Op tafel lag zelfs al een half afgekloven pit. Dus ik was blij verrast toen ik tegen al die verwachtingen in toch één rode kers zag hangen. Dat ik die lekker zelf op mocht eten, van mijn gevederde vrienden. Als bedankje.

Klopt

Klopt

Het is ook wel eens fijn wanneer ergens een zekere logica in lijkt te zitten. Iets van een kloppend oorzaak gevolg. Een systeem. Dat zou hier wel eens het geval kunnen zijn. Vorig jaar introduceerde ik Moerasandoorn op de tuin, gestrooiselroofd van de oevers van de Regge in Overijssel. Heeft een erg leuk bloemetje en blijkt het ook op de noordhollandse klei buitengewoon goed te doen.
Dit jaar dient zich dan de Andoornbij aan. Die, de naam verklapt het al, voornamelijk stuifmeel verzamelt van verschillende andoornsoorten. Dus dat klopt. Het maakt uit wat je doet. Het een lokt het ander uit. Alles heeft met elkaar te maken. En kijk, dat vind ik dan leuk om te ontdekken. Dat Obsidentify dan ook nog rept van een lage trefkans maakt het alleen maar beter.
De andoornbij, lees ik, is een sachembij, maar in tegenstelling tot andere sachembijen graaft de andoornbij zelf haar nestgangen uit in vermolmd hout. Daar heb ik ook wel wat van staan en liggen. In die gangen worden dan verschillende nestkamertjes gemaakt, van elkaar gescheiden met tussenschotjes van gekauwde houtpulp. Verder lees ik dat ze een extreem lange tong hebben waarmee ze nectar uit lipbloemigen verzamelen en dat ze daarbij, gelijk de kolibrievlinder, vóór de bloem in de lucht blijven zweven. Maar ja, de trefkans voor dat spektakel zal waarschijnlijk nog wel lager zijn.

De geest

De geest

Dat het inmiddels herfst is, daarover hoeft geen twijfel meer te bestaan. Buiten huilt de wind om het huis. De bomen staan krom van ellende, zwiepen met wild geraas heen en weer in de zuidwester stormen en iedere tien minuten striemt de volgende regenbui alweer de ruiten. Niettemin sta ik hoog op de gehuurde steiger de buitenboel te schuren en te plamuren, tussen de buien door, in de hoop het nog deze week geschilderd te krijgen. Ik weet het. Ik voel me net deze groot koeienoog, die ik dit weekend op de tuin nog vers uit de knop in bloei zag staan. In regen en wind. Net te laat de geest gekregen.

Kleine boompjes worden groot

Kleine boompjes worden groot

Ik heb meerdere zwarte elzen in de tuin staan. Het zijn leuke bomen, vind ik, met die feestelijke zwarte elzenproppen die de boel een beetje opvrolijken als verder alles kaal en grijs is. Bovendien zijn ze goed voor de biodiversiteit, las ik, omdat ze veel insecten en vogels aantrekken. Verder zijn het bodemverbeteraars doordat ze stikstofbindende wortelknobbels hebben. Ook dit is kennis van internet. Een aantal van mijn elzen heb ik anderhalf jaar geleden aangeplant in het kader van het meer-bomen-nu initiatief, de rest is uit zichzelf aan komen waaien. Het zijn kennelijk makkelijke bomen, zoals ook blijkt uit het feit dat ze het eigenlijk allemaal prima doen, ondanks dat ze in de loop van het jaar bezocht zijn door meerdere plagen. In één van die dus nog jonge elzen trof ik van de week de eerste katjes. Noem mij een romantische dwaas, maar het ontroerde me. Kleine boompjes worden groot. Het zijn de mannelijke katjes, die aan het eind van de winter, lees ik, tot bloei zullen komen. De vrouwelijke elzenproppen heb ik nog niet kunnen vinden, maar die zullen dan binnenkort toch ook verschijnen, neem ik aan. De zwarte els, hoewel getooid met een meisjesnaam, draagt zowel mannelijke als vrouwelijke bloemen. Eenhuizig heet dat, heb ik net geleerd. De rest van mijn elzen, blijkt uit nader onderzoek, blijft nog even klein.

Boerenwormboom

Boerenwormboom

Vorig jaar ergens, wandelde ik met mijn oude schoonvader langs 's heeren wegen, zoals ik dat elke dinsdagmiddag doe, wanneer het weer en zijn humeur dat toelaten, en vanuit zijn rolstoel wees hij op het Boerenwormkruid in de berm. Dat vond hij mooie bloemen. Daar wilde hij wel een bosje van op tafel hebben staan. Gehoorzaam zette ik zijn rolstoel op de rem en begon een boeketje te plukken, toegeeflijk gadegeslagen door passerende elektrische fietsers. Ik had geen mesje bij me dus ik moest het op handkracht doen. Nu heeft Boerenwormkruid nogal een stevige stengel, die je niet zomaar afbreekt, dus ik eindigde al gauw met een boeket met wortel en al. Boerenwormkluit, zogezegd. Eigenlijk kwam me dat niet eens zo slecht uit, want ik ben dol op Boerenwormkruid, dus met mijn schoonvader in zijn rolstoel als verzachtende omstandigheid stond ik hier toch maar mooi nieuwe aanplant voor de volkstuin te strooiselroven. De zweefvliegen en de bijen zouden me dankbaar zijn. Aan het schoonouderlijk aanrecht sneed ik de bloemen tot een gezellig vaasje vol, de wortelstokken nam ik in een plastic zakje mee naar huis, naar de volkstuin, en zette ze daar vol verwachting in de grond. Nou zet ik wel vaker iets vol verwachting in de grond, en word ik in veel van die gevallen teleurgesteld, het Boerenwormkruid overtrof dit jaar alle verwachtingen. Ik overdrijf niet als ik zeg dat het een boom is geworden. Een Boerenwormboom, zogezegd. Stengels van zeker drie meter hoog die alle kant op explodeerden en die, nadat ik ze bijeen had gebonden, topzwaar naar één kant overhelden tot een gele waterval van bloemen. Hij hangt eigenlijk een beetje in de weg, als ik heel eerlijk ben, want telkens als ik erlangs moet is het net of ik een zware deur opzij moet houden, maar dat deert me niet. De zweefvliegen en de bijen zijn me dankbaar.

Heterdaad

Heterdaad

Dat ik er een insectenvriendelijke tuin op na probeer te houden betekent nog niet dat de insecten daar zelf ook aan meedoen. Insecten kunnen er soms bepaald insectenonvriendelijk gedrag op na houden. Neem nou deze Dolichomitus-complex. Een Nederlandse naam ontbreekt, maar het is een sluipwesp en dat doet al iets stiekemigs vermoeden. Ziet er ook al een beetje onbetrouwbaar en gluiperig uit, met dat lange glimmende achterlijf dat zich in allerlei kruiperige bochten wringt, met die bloedrode poten en dat vervaarlijke zwaard. En inderdaad, die heeft het behoorlijk achter de ellebogen. Ik betrapte haar op heterdaad op mijn insectenhotel, waarvan de meeste kamers inmiddels bezet zijn door metselbijtjes, die daar hun eitjes in hebben gelegd, met een zorgzaam voedselvoorraadje erbij voor de larf die daar na verloop van tijd uitkomt om weer een nieuw metselbijtje te worden. Ieder eitje een eigen kamertje dat op kunstige wijze met zandkorrels wordt afgesloten. Dichtgemetseld. Maar dan komt de Dolichomitus-complex. Die heeft op een afstandje geniepig toe zitten kijken en af zitten wachten tot de kust veilig was. Ik zag het onder mijn neus gebeuren, volkomen schaamteloos. Met haar voorpoten maakte ze een kleine opening in de deur van zandkorrels, draaide zich om, krulde het lenig achterlijf, uit de zwaardschede kwam een lange, ragdunne legboor tevoorschijn die behendig naar binnen werd geschoven. Steeds iets verder. Met een pulserende beweging werden daarbinnen haar eitjes gelegd. In ieder kamertje één. Háár larven, lees ik ergens, zullen al even geniepig wachten met uitkomen tot die van de metselbij al een eindje op streek zijn, om die vervolgens langzaam maar zeker op te eten. Levend op te eten ook nog, want er wordt aanvankelijk zorgvuldig om de vitale onderdelen heen gegeten, zodat het slachtoffer zo lang mogelijk vers blijft. Dus ja, je kunt wel beweren dat de natuur zo mooi is, maar dit lijkt me een uitzondering.

Vernuft

Vernuft

Het zou mij niet verbazen wanneer de Lathyrus een ver familielid is van de Balsemien. Of anders hebben ze dezelfde cursus gevolgd. In elk geval hebben ze zo ongeveer dezelfde methode om zich uitgebreid naar alle kanten uit te breiden. Met de jongens, toen die nog klein waren, en onlangs nog met de kleinkinderen, was het altijd feest wanneer we een berm vol Balsemienen tegen kwamen, langs ons pad. Wat een wonder dat zo'n peultje wanneer je hem maar even aanraakt openspringt, met een knappend geluidje, en zijn zaad alle kanten op in het rond schiet. Afvuurt. Je kreeg ze niet meer mee voor ze ze allemaal gehad hadden. De Lathyrus doet net zoiets. Als de peulen nog groen zijn, en een beetje op sperziebonen lijken, is er nog niks aan de hand. Maar zijn ze bruin en dor en hard geworden, dan knallen ze met een laatste krachtsinspanning open en slingeren hun zaden zo ver als ze kunnen. De natuur zit vol vernuft. Ik knip de bruine peulen af en verzamel ze in een zinken emmertje, waarin je de zaden soms tegen de wanden hoort tikken. Zo kan ik ook zelf bepalen waar ik volgend jaar de Lathyrus heb staan.

Deo volente

Deo volente

Aan allerlei dingen valt te merken dat de zomer op haar einde loopt. Het herfstachtige weer van de afgelopen dagen, om maar eens iets te noemen. Wind en regen, grijzigheid. De al korter wordende avonden, de dalende temperatuur. Allerlei uitgebloeids op de tuin, de algehele teruggang die is ingezet. Maar ook kilo's bramen, een zak peren en een handvol appels. Daar komt dit jaar bij dat de tjiftjaf is vertrokken. Mijn tjiftjaf. De tjiftjaf die mij leerde de tjiftjaf te herkennen. Die mij een groot deel van voorjaar en zomer begroette wanneer ik mij meldde op de tuin. Mij dan de rest van de tijd gezelschap hield, hoog in de perenboom of de wilg gezeten, met zijn eenvoudig maar onophoudelijk lied, van tjiftjaf tjiftjaf tjiftjaf. Eén keer zag ik hem kwaad en onbevreesd uitvallen naar een kat die door de tuin sloop. De kat was er niet van onder de indruk. Ik des te meer. Wat een dapper klein vogeltje. Nu is hij onderweg naar Noord Afrika. Want, ik wist het niet en het verbaasde me eerlijk gezegd, de tjiftjaf is een trekvogel. Halverwege april, deo volente, meldt hij zich weer terug. Ik zal hem missen. Gelukkig zag en hoorde ik van de week al een paar keer een wolk puttertjes, die op de zaden van distel en kaardebol afkomen.